‘Ik verbied het je,’ zegt Witte Toekomst tegen zijn dochter terwijl hij haar meedogenloos aankijkt. ‘Er is geen enkele drum die door jou bespeeld gaat worden. Niet voordat je je stonde hebt gehad.’
Aratuscha is twaalf jaar oud. Ze wil graag trommelen op de paardendrum van haar vader. Hij is net nieuw en heeft de huid van een witte merrie. Het was haar moeders lievelingspaard en die had er zelfs een staart van gevlochten manen aan vast geknoopt.
‘Maar ik begrijp het niet vader,’ smeekt het jonge meisje. ‘Waarom kan het nu niet? Ik ben al twaalf!’
‘De lichte merrie kan alleen maar bespeeld worden door een bevruchte vrouw, net als je moeder. Je bent nog een kind. Het is geen speelgoed! Bovendien moet hij eerst door mij ingewijd worden en een naam krijgen.’
Arartuscha kijkt haar vader aan met een blik van wijsheid die geen grenzen kent. Haar stem wordt zacht.
‘Vader, ik weet toch dat het kan. Ik heb gesproken met de ziel van Janosh, en ze vindt het goed. Ze zegt zelfs dat het beter is dat ik het doe, voordat ik mijn stonden krijg en zeker voordat ik een man heb ontvangen. Mamuschka heeft me verteld dat ze de merrie mocht bereiden toen ze jong was en ook nog geen stonde had gehad. Waarom mag ik als vrouw de traditie niet voortzetten op een manier die klopt voor mij en voor Janosh? Laat het me begrijpen, vader!’ [Lees meer…]